Na de geboorte kan de zuigeling reflexmatig zuigen en slikken. Maar doordat zijn hoofd en romp nog niet stabiel zijn, kan het nog niet bewust bewegen.
Al doende ontwikkelt de motoriek zich. Zo kan een kind gemiddeld na ruim een jaar lopen en is de handmotoriek pas goed ontwikkeld rond je 7e.

Bij leren van motorische vaardigheden gaat het erom dat je door training & ervaring vaardig wordt en blijft om een handeling uit te voeren. Hiervoor moet je de opgedane informatie blijvend op kunnen slaan. Dit gebeurd eerst kort in het werkgeheugen. Als men écht leert zal het vervolgens blijvend in het langetermijngeheugen worden opgeslagen.
Er zijn 2 hoofdvormen van leren:
Dit is een bewuste manier van leren en vraagt om aandacht bij het kiezen, opslaan & ophalen van informatie.
Belangrijke structuren: hippocampus, temporale schors
Motorisch leren gebeurt veelal onbewust: impliciet. Dit kan je opdelen in 3 categorien: reflexmatig, associatief en procedureel leren.
Dit is de meest simpele vorm van leren waarbij er door het herhaald aanbieden van een prikkel gedragsverandering optreedt.
Dit kan gaan om:
Dit gaat over conditionering:
1. Klassieke vorm: verband leggen tussen gedrag & gevolg
2. Operatieve vorm: verband leggen tussen prikkel & reactie
Het laatstgenoemde is vaak te zien in de revalidatie waar bij training of spontaan bij trail & error mensen leren van de gevolgen van hun gedrag. Als dat wat je doet effectief is, dan je het vaker zo doen en vice versa.
Dit gaat om leren door veel oefening en zie je als je een lastige vaardigheid eigen wil maken.


Motorische vaardigheden worden veelal onbewust of impliciet geleerd.
Betrokken hersenstructuren: basale ganglia, cerebellum, motorische schors
Ingewikkelde vaardigheden zoals werk, hobby's of (zenuw)letsel vraagt om bewust of expliciet leren. Door herhaaldelijk bewust een taak te trainen gaat het over van expliciet naar impliciet leren, en kan het over tijd automatisch worden uitgevoerd.
Betrokken hersenstructuren: basale ganglia, prefrontale en temporale schors, hippocampus. Hierbij spelen de dikgedrukte structuren een onmisbare rol in de opslag van kennis & ervaring.

De belangrijkste factor van motorisch leren is de intensiteit waarmee wordt geoefend. Het trainingseffect zal op een gegeven moment afnemen wanneer je meer uren oefent. In een trainingsschema moet er plaats zijn voor rust om het geleerde op te kunnen slaan en te voorkomen dat je overtraind raakt. Verder helpt het om voldoende variatie in het aanleren van een vaardigheid te brengen. Hierdoor kan het geleerde in verschillende situaties worden toegepast. Kijkend naar impliciet leren weten we dat leren op basis van trail & error goed werkt. Dit maakt dat fysieke begeleiding alleen in het begin helpend is en men daarna de handen zoveel mogelijk op de rug moet houden. Als laatste helpt dat hetgeen je traint en de trainingsomgeving zoveel mogelijk lijkt op hoe het er in het alledaagse leven eraan toe gaat.

Bij schade aan het brein kan het zijn dat het im- &/of expliciet leren moeilijker gaat. Zo kan iemand met dementie moeilijker bewust leren en is onbewust leren de meest effectieve trainingsmethode. Bij schade aan de kleine hersenen of basale ganglia gaat onbewust leren moeilijker en kan bij training het beste worden ingezet op bewust leren.
Bij training van vaardigheden kunnen, afhankelijk van hoe erg en wanneer het letsel is ontstaan, vaardigheden verbeteren door compensatie of herstel van zintuigen of het bewegingsapparaat. Zo keren functies bij een zware verlamming na een hersenbloeding vooral weer terug door compensatie en na een rughernia door fysiek herstel. Functieherstel door compensatie kan lang na het letsel worden verkregen, maar het herstel van vaardigheden door sensomotorisch herstel vindt hoofdzakelijk kort na het letsel.